Het stille genot

De donkere gracht lag toegevroren in de avond, waar een klare, wassende maan, als een brok diamant, in de lucht hing, toch niet klaar genoeg om veel meer licht te laten vallen dan alleen over de randen van de oude daken, die kartelden tegen de lucht… en in de stukken ijs, als brokjes diamant ook, bij de weer toegevroren wakken. En de schaatsenrijders, over de nauwelijks aangelichte gracht, reden, reden op en neer: de huzaren, de jongens, de meisjes, alleen, twee aan twee, de handen kruislings of plotseling een lange sliert, van wie elkaar vasthielden aan de heupen… En zij reden allen stil, bijna zonder een woord, zonder een kreet en alleen was in de hoek van ieders oog, van ieders mondhoek een zalige glimp van geneucht… Om het ijs, om het, met kromme knieën, uitschuiven links en rechts, gladdig voortschuiven; om de handen ook op de heupen, die de achterste echter miste…

- Gedenk de baanveger! klonk telkens luider de kreet soms van wie niet meegenoot, maar veegde, veegde de baan schoon. Een gilletje, een lachje, even een bassiger mannenwoord en het schoof weer voort, zalig; zaligheid, die zich in woorden niet uitte… Rissen militairen schoven tezamen, schoten tezamen vooruit, broederlijk de een vuisten geklampt aan de ander. Een artillerist reed er alleen, heel alleen, niet krommer van knie dan zwierig mannelijk was: hij reed armen gekruist, de donkere gracht op en neer, alsof hij een wel aangename plicht volbracht, sloeg uit, zwierde beentje-over, krulde om zichzelf lustig rond, bleef toen na een korte schuif stil staan, de benen in de hoge laarzen even wat wijd.

-Gedenk de baanveger! drong die niet genoot. Boven op straat, aan de rand, stond een meisje. Zij had een paar schaatsen onder haar arm. Een bontje worgde haar halsje en een diep hoedje dreigde als een domper haar flikkerende oogjes te doven. -Kom je? Lokte de artillerist naar boven, wijd op zijn benen. Zij kenden elkaar niet, maar zij glimlachte. -- Spring maar, zei hij. Zij aarzelde nog even en sprong toen. En daar stond een stoel aan het eind van de baan. -Wil ik je schaatsen aanbinden? Zij knikte van ja. Zij had al het zalige glimpje om de hoek van haar mond en ter zij in haar oog. Zij zat neer en hij bond haar schaatsen aan. -Willen we rijden? Vroeg hij. Zij knikte van ja: zij had nog geen woord gezegd. Zij reden naast elkaar, kruislings de armen en zij reed wel goed, meende hij, maar zei het niet. De handen, ongeschoeid, voelde warm in elkaar, haar fijnere winkelmeisjes-handje in zijn ruwe artilleriste-hand. Het was warmer dan handschoenen aan, meenden zij beiden, maar zei het niet. Toch zei zij iets: -Rij's achter me… Hij reed achter haar, zwierde haar voort, zijn twee artilleriste-handen strak om haar slanke heupjes. Zij wiegden zwierende voort. Nu was het helemaal niet meer nodig wàt ook maar te zeggen. Wie met hen mee schoven en schoten, heen en weer terug, in telkens herhaalde ontmoeting, zeiden ook niets.

-Gedenk de baanveger! Een lachje, een gilletje, even een bassiger mannenwoord… Zij beiden wiegde maar heen en weer in het deemster over de gracht, waar de stil genietende silhouetten kwamen en gingen van het ene einde naar het andere. Toen, met een rukje, draaide hij haar als een tolletje rond en stonden zij. -Ik moet weg, zei zij -Moet je weg? -Ja, zei zij. -Mag je niet langer? vroeg hij -Neen. Van Moe… ik mag maar effetjes. -Nou, dan… zei hij, zich schikkende. Zij zette zich op de stoel; hij bond haar de schaatsen los. Zij stond op en ging naar de plank, die schuin lag. -Dàg! zei zij -Dàg! groette zij weer Hij zag haar de plank op lopen en toen verdwijnen, over de straat, langs de gracht; zij had even nog een zijlinkse blik, met een glimpje van na-genot. Toen, alleen, reed hij, niet krommer van knie dan zwierig mannelijk was, de armen gekruist, de gracht weer op, achter de sliert militairen… Maar omdat hij het wat koud ging krijgen stak hij een sigaretje op. En schoof hij zijn wanten aan.

-Gedenk de baanveger! klonk het alleen…

Bron: Louis Couperus. Volledige werk: Proza. Het stille genot is een herspelde versie van Het stille geneucht.