
Nicolaas Simon van Winter - nomen est omen - schreef in 1769 het gedicht De Jaargetyden. Het is een natuurbeschouwing op rijm opgebouwd rond de vier seizoenen. Ik kocht het boek zaterdag voor een habbekrats en had dus een mazzeltje. In de winter is er natuurlijk ijs en binden de mensen de schaatsen aan:
Het jeugdig landvolk, nu in zyne bezigheden
Door 't strenge weêr gestuit, begeeft zich, wel te vreden,
En danssende ten ys; het waagt zich op den vloed;
Het bind de schaatsen aan, en vliegt, met vluggen voet,
Nu ginds dan herwaarts heen, en houd by 't schichtig snellen,
Een kunstig evenwigt in 't weêrzyds overhellen.
Het wint den wedloop zelfs van 't moedigrennend paard;
Het vormt een' halven kring by 't wenden in zyn vaart.
Men zwoegt, zelfs uit vermaak, langs 't vlak der marmren stroomen.
't Woelt alles door elkaêr: de vreugd schynt niet te toomen.
Hoe ryst van allen kant een schaterend geschal,
Gewekt door stoute kunst of onverhoedschen val!