Johannes Andreas der Mouw was taalkundige, astronoom, filosoof en mysticus. Na een lange studie van de oude hindoe-geschriften verliet hij het christendom. De laatste vijf jaar van zijn leven wijdde hij geheel aan de poezie. Hij schreef onder het Sanskrit-pseudoniem 'Adwaita' dat 'niet-tweeheid' betekent. In de week dat zijn werk uitgegeven werd, overleed Der Mouw.

Hoogtepunt in de Nederlandse poŽzie is zijn sonnet Ik ben Brahman (maar we zitten zonder meid). Met de woorden 'Ik ben Brahman,' geeft der Mouw aan dat de mens en God één zijn.

Het allermooiste schaatssonnet ooit geschreven is volgens mij 'Dof violet is 't west' van Der Mouw. Niet alleen vanwege die fantastische openingszin, maar vooral omdat in dit sonnet dichten en schaatsen volkomen samenvallen. Dichten is schaatsen en schaatsen is dichten. Uit de bundel Brahman I.

Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:

Ik heb 't gevoel, of 'k op 't bevroren glas
Cirk'lend, zwevend, zwenkend op kunst'ge wijs,
Met 't buigend bovenlichaam daal en rijs:
'T is in mijn rug, of 'k zelf op schaatsen was.

Zo hoop 'k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm'lend op maat en rijm van hollands staal,

Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En 't fijn slieren en 't heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.












Johannes Andreas der Mouw
1863 - 1919

Het mooiste Friese schaatsgedicht

Preamkeskowen, schaatsen alsof je een praam voortduwt, steppend. Een boerenmeisje houdt zich nu nog met moeite in balans. Ze zal het schaatsen leren zoals elk Fries meisje het uiteindelijk leert.

Douwe Tamminga is samen met Obe Postma the grand old man van de Friese poŽzie. Tamminga schreef in 1994 het gedicht Winterbyld. Douwe Annes Tamminga stierf acht jaar later op 92-jarige leeftijd. Hij was leraar Fries en Nederlands, en altijd warm pleitbezorger van de Friestalige poŽzie en literatuur. De Nederlandse vertaling is van Jabik Veenbaas gemaakt voor mijn bloemlezing Glad en wijd ligt het ijs.

Winterbyld

Yn 't sulver skoot de Greidhoek by my lâns.
In lichte rûchfroast hâldt is gea omsletten.
De stille skiep fine amper noch wat fretten
En plaetsen sliepe, hawwe neat omhans.

Ien ienlik boerefamke griep har kâns
As harke it nei de twang fan âlde wetten.
Op 't iere iis fan de novimbersleatten
Siket it preamkeskowend om balâns.

Do lytse rydster met dyn wiffe skek,
Weibruid fan ûnder heite skuorretek,
Ik sjoch dy as jongfaam al swierich strûzen

De Alve Stêden del as wie it neat,
Fergetten is dy dan dy smelle sleat...
En jimme skriuwe al lang it jier twatûzen.

Winterbeeld

De Greidhoek met zijn zilvervloer
Glijdt langs me heen: rijp legt het veld aan banden.
De hoeven slapen, hebben niets om handen,
De stille schapen vinden amper voer.

Eén eenzaam boerenmeisje greep haar kans
Als liet het zich door oude wetten dwingen.
Op 't ijs van vroege winterweteringen
Houdt het zich schuifsleŽnd in balans.

Jij kleine rijdster die hier moeizaam klauwt,
Zo onder vaders rietdak weggesjouwd,.
Ik zie je later al met struise slagen

Als was het niets langs elf steden gaan,
Die smalle sloot denk je dan niet meer aan...
Voor jullie zal lang 't jaar tweeduizend dagen.