Coen de Koning en de drank
Uit Joris van den Bergh, Mysterieuze krachten in de sport:
Wat dit betreft staat ons een buitengewoon frappant geval ten dienste. Juist toen wij de drie voorgaande pagina's van dit schriftuur hadden geschreven, hadden wij een ontmoeting met C.C.J. de Koning, met Coen de Koning, die jaren lang niet alleen de beste hardrijder op de schaats van Nederland is geweest, doch die ook - in 1905 - het wereldkampioenschap veroverde, die het werelduurrecord op de schaats verbeterde en het bracht op 32 km 370 meter, (het wereldrecord staat thans nog op zijn naam), die in grote buitenlandse tournooien brillante overwinningen boekte en ten slotte op rijpere leeftijd - immers 33 jaar en 38 jaar oud - nog tweemaal winnaar werd van de zo zware Friese Elfsteden-wedstrijd, ....wij herhalen, juist toen wij de pagina's hadden geschreven, die over het onderhavige proces handelen, hadden wij een ontmoeting met Coen de Koning, die terloops naar onze arbeid informeerde. Wij deelden hem mede, wat wij onder handen hadden en tot hoever wij gevorderd waren en toen zei hij: ‘Dat is merkwaardig, daar kan ik een staaltje van vertellen, dat de moeite waard is.’
Het trof ons zó, dat wij Coen, toen hij zijn verhaal ten einde had, hebben verzocht, of hij het ons zwart op wit wilde geven en de volgende dag kwam hij met het geschreven relaas op de proppen. Wij laten het hier volgen: ‘Je weet, dat ik van huis uit stucadoor ben en dik veertig jaar geleden, toen ik in het stucadoorsvak begon, waren er in de arbeiderswereld, en vooral in de bouwbedrijven, toestanden die op dit moment ongelofe-
[p. 166]lijk klinken. Er werd niet gedronken, maar gezopen; het zat er zó in, dat je niet beter wist, of het hoorde zo; in ieder geval je deed mee, ook al doordat je het nodige te verduren kreeg, wanneer je niet mee deed. 's Ochtends om 6 uur begonnen we te werken, maar om 5 uur gingen de kroegen open, speciaal voor de arbeiders die naar hun werk gingen, en er ging er niet een aan de slag, of hij had in zo'n kroeg 'n dubbele - 'n zogenaamde dikkop - achter z'n kiezen geslagen. Er waren er genoeg, die bovendien nog 'n dubbel maatje bij zich hadden en onder het werk werd er telkens 'n taaie gevat. Iedere dag werd er onder het werkvolk een gokje gemaakt, je weet wel, zo met streepjes op een dichtgevouwen papiertje met één streepje er tussen waar een balletje aan was getekend ('t had een gekke naam, dit gokspelletje, maar die zet je toch niet in het boek) en dan moest je om de beurt zo'n streepje aanschrappen en wie dan het streepje had gepakt, waar het balletje aan zat, die zat er voor 'n halve kan of voor 'n kan in. De duvelstoejager moest dan de jenever halen en zo werd er onder het werk gepimpeld. Ik dronk wel niet zoveel als de verstokten, maar ik kwam toch iedere dag aan m'n portie en dan kwam er nog bij, dat ik van de ochtend tot de avond pruimde en ook nog rookte. Er waren van die pakjes pruimtabak van Dobbelman, B.Z.K. geheten, die onder het werkvolk bar populair waren en ik pruimde maar liefst vier van die halve onsen in de week op. En als ik dan binnenwerk had of in de woonkamers stond te stucadoren, dan moest ik
[p. 167]het speeksel ook nog bij me houden, enfin je begrijpt het, ik was om zo te zeggen half doortrokken van de nicotine.
Toen op 'n dag, 't was winter, 't was in 1900 en ik had schaats gereden en Jan Banning, dien ken je toch wel, de bekende schaatsrijder, had me zien rijden - ik was toen 21 jaar - en Banning sprak me toen aan en zei: Coen! in die slag van jou zit wat, je moet 'm natuurlijk nog wat bijwerken en je moet van die Friese doorlopers af en op Noren leren rijden, ...als ik jou was, ging ik me toeleggen op het hardrijden, maar denk er aan jongen! dan moet het uit zijn met de alcohol, totaal uit, en dan moet het uit zijn met de tabak, anders wordt het niks met je. Enfin, ik loop er een tijd mee rond en ik laat me bepraten en ik zeg tegen mezelf: weg borrel, weg tabak, en Banning heeft me toen als sportman opgefokt.
Dat gaf me op het werk een klap van belang. Ik was de grootste dooievisjesvreter, die er op twee benen rondliep, ik was rijp voor het Heilsleger, je weet hoe dat gaat, ik kreeg het nodige naar mijn hoofd. Ik heb er toen dit op gevonden, dat ik het gokspelletje wel mee speelde en dat ik betaalde als ik verloor, maar dat ik nooit iets nam van de borrel, die ik had gewonnen. Dat vonden ze fideel en royaal en er waren er ook 'n paar, die zeiden, dat ik gelijk had, nu ik serieus aan sport ging doen, enfin, ze lieten me ongemoeid en toen ik later prijzen had gewonnen, vonden ze dat prachtig en toen begon er door dat goede voorbeeld uit de sport
[p. 168]bij enkelen hunner toch ook wat wakker te worden.
Achttien jaar lang heb ik toen voor de sport geleefd. Geen druppel, niet één druppel van welke alcoholhoudende drank ook is er meer over mijn lippen gekomen, en tabak heb ik niet meer aangeraakt, maar ik was zó aan het kauwen gewend, zo gewend iets in mijn mond te hebben, dat ik het niet zonder kon stellen en ik heb toen een grote benen knoop genomen en die had ik toen tussen mijn wang en mijn kiezen zitten, waar vroeger de pruim zat. Want kauw-gummi was er toen nog niet.
Achttien jaar lang offerde ik alles voor mijn sport en was zo ontzettend serieus, dat ik me kwaad maakte, wanneer ik een anderen sportman iets zag drinken of zag roken.
Ik slaap er goed van, zei er een.
Ik antwoordde: Om goed te slapen moet je doen wat ik doe. Ik was toen reiziger in rijwielartikelen geworden en ik had altijd als ik op reis ging van die trek-elastieken bij me, je weet wel, zo'n Sandow-apparaat, en dat schroefde ik dan vast op de deur of het deurkozijn van de hotelkamer en voor ik naar bed ging stond ik daar 'n half uur aan te werken en dan sliep ik als een os. En na het ontwaken dadelijk weer een half uur aan die dingen. Ik kan je hotels aanwijzen, waar de schroefgaatjes nóg in de deur zitten.
Maar nu moet je horen. Mijn broer trad bij de grote wedstrijden altijd als mijn helper op, hij wist hoe ongelofelijk serieus en solide ik was en op 'n dag wist hij
[p. 169]niet wat hij hoorde en had ik bijna de grootste ruzie met hem gekregen.
Het was in 1912 in Groningen, de avond vóór dat ik het Kampioenschap van Nederland had te rijden en dat viel dat jaar niet mee, want de tegenstanders waren veel jonger dan ik, dat scheelde wel tien jaar, en bij mij haperde er iets. Ik weet niet wat het was, ik was niet ziek, geen sprake van, alleen maar wat loom en lusteloos en het was net, alsof ik in iets behoefte had. Opeens zeg ik tegen mijn broer: “Ik moet bier hebben!” Mijn broer sloeg bijna achterover. Nu moet je goed verstaan, dat ik toen dertien jaar lang niets en niets had gedronken, geen druppel, er bestond om zo te zeggen geen alcohol meer voor me, mijn gevoel was op dat punt totaal afgestorven, morsdood, en daar vraag ik notabene de avond voor de wedstrijd om bier.
Mijn broer ging tegen me te keer, hij wilde het niet toestaan, en ik had lust hem op z'n gezicht te timmeren. Terwijl ik hem toch 'n dag te voren op z'n gezicht zou hebben getimmerd, als hij mij bier had willen geven.
Enfin, ik aan het bier. Het viel er in als een zegening. Ik werd 'n ander mens, als herboren. En toen ik naar bed ging, zei ik tot mijn broer: “Nu moet jij eens zien, morgen ga ik ze lekker allemaal kloppen en is het kampioenschap weer voor mij.”
Ik reed een beste wedstrijd en won met stukken.
Onmiddellijk daarna was ik weer de man, vijf jaar lang, die ik te voren dertien jaar lang was geweest. In die vijf jaar kwam er weer geen druppel over mijn lippen.
[p. 170]Snap jij dat nou? Snap jij nou, waar dat in zit?
Bijna 5000 dagen achter elkaar dronk ik niets en taalde ik er niet naar. Dan komt er een avond, vlak voor de wedstrijd, dat ik er naar hunker en me woedend maak, omdat ze het mij niet willen geven, en dan volgen er weer 1800 dagen, dat ik er niet naar taal.’
Tot zover Coen de Koning.
<< Home